Een mens heeft in zijn leven
Een mens heeft in zijn leven niet de tijd
Om voor alles tijd te hebben.
En hij heeft niet genoeg tijden om
voor alles een tijd te hebben. Prediker had geen gelijk toen hij dat zei.
Een mens moet haten en liefhebben op hetzelfde moment,
Met dezelfde ogen huilen en met dezelfde ogen lachen,
Met dezelfde handen stenen wegwerpen,
En met dezelfde handen ze verzamelen,
En liefde bedrijven in de oorlog en oorlog in de liefde.
En haten en vergeven en herinneren en vergeten,
En ordenen en in de war te brengen, eten en verteren,
Alles waarover de lange geschiedenis
Vele jaren doet.
Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Als hij verliest, zoekt hij,
En als hij vindt, vergeet hij,
En als hij vergeet, heeft hij lief,
En als hij liefheeft begint hij te vergeten.
Een ziel is ervaren
En heel professioneel.
Slechts zijn lichaam blijft altijd een amateur,
Het poogt en mist,
Leert niets en brengt in de war,
Dronken en blind in zijn genieten en in zijn pijnen.
Hij sterft zoals vijgen sterven in de herfst,
Verschrompeld, en vol van zichzelf en zoet,
De verdroogde bladeren op de rond
En de kale takken wijzen al
Naar de plaats waar voor alles tijd is.
Jehoeda Amichai
Uit: She át Hachesed (uur van genade), Tel Aviv 1986
(vertaling Ruth M.M. Hoogewoud- Verschoor
Gedicht bij de overweging van 7 juni 2008 door Lideke in ’t Veld, Remonstrants theologe.